Dansen met de zombie
Over Lynch, Godard, Torres en artistieke heroïek
Gelukkig nieuw jaar! Een warm welkom aan alle nieuwe lezers! Zij die deze nieuwsbrief hebben gevonden via Ernst-Jan Pfauth (dankjewel Ernst-Jan!), maar ook zij die hier op eigen houtje zijn komen aanwandelen. Mochten jullie nog een korte introductie nodig hebben: in deze nieuwsbrief schrijf ik aan het eind van iedere maand over de films die ik die maand heb gezien. Zo simpel is het eigenlijk. Waarom leg ik dat überhaupt uit? Het wijst zichzelf, en jullie zijn heus niet gek.
Avatar: Fire and Ash
Hollywood durft ons geen pijn te doen. Misschien klinkt het nu alsof het probleem eerder bij mijn verwachtingen ligt dan bij Avatar. Natuurlijk doet Hollywood ons geen pijn, het enige waar ze om geven is entertainment, of iets dat voelt als entertainment, of iets dat verkoopt als entertainment (en dat doen James Cameron en Avatar). Maar je moet begrijpen dat Avatar: Fire and Ash zich voordoet als een film die ergens over gaat, dus dan vind ik dat je het ook op die manier moet beoordelen.
Het verhaal gaat over revolutie, over de planeet Pandora die terugvecht tegen de bezetter (de mens), met overduidelijke knipogen naar de kapitalisten en fascisten die onze eigen planeet vernietigen (de mens). Ergens is het best wonderlijk dat een blockbuster van deze omvang het publiek zelfs lijkt te willen inspireren tot verzet, en met meer dan honderd miljoen bezoekers wereldwijd zou je haast geloven dat het nog wel goedkomt met de aarde. Toch heb ik daar een hard hoofd in, al is het maar omdat iedereen bij deze film gratis een happy end krijgt. Verzet hoeft niets te kosten, alles komt goed.
In één scène lijkt de wereld even moreel complex. Een vader (een inheemse Na’vi) staat voor een ingewikkelde keuze: om de planeet te beschermen moet hij zijn eigen adoptiezoon (een mens) vermoorden. Dat lijkt even een belangrijke scène op de weg naar een bitterzoet einde: je redt de planeet of je zoon, maar tegen welke prijs? Het blijkt alleen niets uit te maken, de vader laat zijn zoon leven en de planeet wordt alsnog gered. Ik vond dat symbolisch: er is wel een mes, maar niemand wordt gestoken.
In de podcast Echt Iets Voor Jou had ik het met Ko van ‘t Hek over nog veel meer ergernis en plezier in deze film. Luister hier de bewuste aflevering.
If I had legs I’d kick you
Toen ik de middag van 1 januari een drukke bioscoop binnenliep had ik waarschijnlijk dezelfde gedachte als een vaste sportschoolbezoeker die dag: waar zijn jullie allemaal de rest van het jaar? Maar het schiep natuurlijk ook een band, ik was niet de enige die een lichte kater en slaapgebrek probeerde te overwinnen, wij wilden allemaal het nieuwe jaar in met een goede start.
Bij de bar wachtte ik op koffie. Ik zag de vrouw naast me wijzen naar de drakentatoeage op de arm van het meisje achter de bar. Ze vroeg of het een specifieke draak was, er werd een naam genoemd die ik niet kende, het meisje antwoordde bevestigend. ‘Vet,’ zei de vrouw naast me, en ze liep weg met haar koffie. Ik zag dat het meisje het glunderend vertelde aan een collega. Precies, dacht ik, zo gaan we het doen in het nieuwe jaar: de wereld verbeteren door middel van laagdrempelig contact. Wist ik maar hoe die draak heette.
‘Naar welke film ga je,’ vroeg ze toen ze de koffie voor me neerzette. ‘If I had legs I’d kick you’, antwoordde ik. ‘Dat is de titel van de film, geen dreigement,’ voegde ik daaraan toe, een grapje dat (terecht) met weinig enthousiasme werd ontvangen, maar het was een begin.
Als ik had geweten wat voor film dit was, dan was ik er waarschijnlijk niet naartoe gegaan op 1 januari. Online zag ik het iemand beschrijven als Uncut Gems voor moeders, maar waar je in die film een man ziet die zijn eigen reet probeert te redden, zie je in deze film dus een alleenstaande moeder en al haar zorgtaken (een ernstig ziek kind, een ingestort plafond, een afwezige klagende vader aan de telefoon). De film ranselt je af, het was intens voor de staat waarin ik me die middag bevond, maar ik begon ook waardering te krijgen voor de volharding. De film gunt jou geen moment rust, zoals die vrouw dat ook niet krijgt. De laatste beelden zijn van de zee, gewelddadige golven die maar blijven komen, en eigenlijk is dat in zekere zin wat de hele film is.
Afgeranseld liep ik naar huis, alsof ik de uitputtingsslag van die vrouw zelf had moeten doorstaan, maar ik voelde me ook geïnspireerd door die intensiteit, en de gewaagde kunstgrepen waarmee het gepaard ging: subtiele bovennatuurlijke elementen, de camera die constant angstvallig dicht op het gezicht van de vrouw zit. De film ging vorig jaar januari al in première op Sundance, maar desalniettemin voelde het voor mij als een goede start van 2026.
Voor een andere aflevering van Echt Iets Voor Jou stuurde ik Ko naar deze film. Hier kan je horen wat hij ervan vond.
À bout de souffle
À bout de souffle draaide in de bioscoop, omdat Richard Linklater met Nouvelle Vague eind vorig jaar geslaagde Godard-propaganda heeft bedreven. Ik heb de films wel in de verkeerde volgorde bekeken vrees ik, Nouvelle Vague is een fictieve reconstructie van de ontstaansgeschiedenis van deze film, en ik zat daarom vooral te controleren hoe knap Linklater de acteurs gecast had, en hoe goed hij de losse, vrolijke, levendige sfeer had weten te imiteren. Maar ik vroeg me ook opnieuw af waarom Linklater juist nu deze film onder de aandacht wilde brengen.
Onderweg naar de bioscoop hoorde ik dat Leonardo DiCaprio zich zorgen maakte of mensen nog wel zin hadden om naar de bioscoop te gaan. ‘Will they become like jazz bars’, vroeg hij zich af. Ik geloof dat zijn zorgen oprecht zijn en vast ook wel terecht, maar ik denk ook dat dit soort berichten onderdeel zijn van een grootschalige campagne van streamers om de bioscoopervaring zwart te maken. Ik moet wel zeggen dat ik dat vooral denk omdat ik het boek Algorithm of the night van de filmcriticus A.S. Hamrah aan het lezen ben, die deze campagne uitvoerig beschrijft en bestrijdt. Ik praat hem een beetje na, als je de betere versie wil dan moet je dat boek lezen.
De overname van Warner Brothers door Netflix is een actueel voorbeeld. De zorg is dat de grote films voortaan nog korter in de bioscopen zullen draaien voordat ze op Netflix verschijnen, omdat Netflix natuurlijk wil dat je thuisblijft, dat je hun films op Netflix kijkt terwijl je op de bank ligt, op je telefoon zit, de film tien keer op pauze zet om een Instagram reel te bekijken van de top 7 mooiste goals van Peter Crouch. Netflix-CEO Ted Sarandos zegt daarom ook steeds dat mensen geen interesse meer hebben in de bioscoopervaring. Of dat waar is maakt hem niet uit, hij hoopt dat het de waarheid zal worden.
Ongeacht de intentie van DiCaprio is zijn pessimisme koren op de Netflixmolen. Oh wat zijn de bioscopen toch ouderwets! Straks worden het nog jazzbars! Ik moest denken aan de Godard uit Linklaters film (die je in À bout de souffle natuurlijk niet ziet omdat hij achter de camera staat), hij is onbevreesd, onwrikbaar door de producer die hem probeert te controleren, en hij heeft bovenal een heldere visie voor de nieuwe cinema. Het zou allemaal nostalgie kunnen zijn natuurlijk, maar volgens mij is het ook juist een verlangen naar iets nieuws.
Problemista
Julio Torres laat geen detail onbenut. In Problemista, de film die hij schreef en regisseerde, heeft Alejandro (de hoofdrol, die hij ook speelt) constant een uitstekend plukje haar op zijn kruin. In een interview over de film vraagt iemand waarom, en Torres zegt: dat is Alejandro’s antenne, daarmee vangt hij signalen op uit zijn vreemde omgeving. Het is de enigmatische humor die je in al zijn werk terugziet, of het nou de SNL-sketches zijn die hij schreef, zijn comedy specials, of de serie Los Espookys, maar hier is de intentie helder. Torres zegt dat hij Alejandro met die antenne op een alien wilde laten lijken, wat Alejandro in zekere zin letterlijk is, omdat hij als immigrant uit El Salvador werk probeert te vinden in de Verenigde Staten.
Naast alle surrealistische grappen en rekwisieten heeft Problemista dus ook een persoonlijk verhaal. Torres zelf kwam als student vanuit El Salvador naar de VS, en heeft zelf de bizarre Amerikaanse immigratiewetten meegemaakt, die minder grappig zijn maar minstens zo surrealistisch worden verbeeld. Hij heeft bijvoorbeeld geld nodig om zijn visum te kunnen betalen, maar hij mag pas geld verdienen als hij een visum heeft. Alejandro zoekt een sleutel om een deur van het slot te halen, maar die sleutel ligt achter diezelfde gesloten deur.
Alejandro heeft als droom om speelgoed te bedenken voor een groot speelgoedbedrijf. Tussendoor zien we kort de speelgoedideeën die door zijn hoofd schieten, ieder grappig, bizar en volstrekt origineel. Ook daar zal iets persoonlijks in zitten, Torres kan het zelf ook niet laten om zijn film vol te proppen met grapjes en ideeën, vreemde kleurrijke geintjes die zijn verhalen en sets bevolken. Ik kan me voorstellen dat hij in zijn creatieve leven vaak gevraagd is om te doseren, en ik betrapte mezelf ook op de gedachte dat de film effectiever zou kunnen zijn als hij zich soms zou inhouden, maar uiteindelijk is het heerlijke van een film als Problemista ook juist dat je kan zien dat Julio Torres zich nergens iets van aantrekt.
Eraserhead
Eraserhead is krankzinnig genoeg, maar het is des te krankzinniger als je bedenkt dat David Lynch deze film maakte voordat hij David Lynch was. De reden dat ik deze film in de bioscoop kon bekijken is dat hij inmiddels een Grote Regisseur is, die Een Jaar Geleden overleed. Maar toen hij Eraserhead maakte was hij gewoon een 30-jarige gast van de filmschool.
In een stuk over Lynch (David Lynch keeps his head) beschrijft David Foster Wallace zijn films als een vorm van artistic heroism. Je moet zelf vooral het hele stuk lezen, maar hij beschrijft bijvoorbeeld dat hij nog precies weet op welke datum hij Blue Velvet in de bioscoop zag, omdat die film op hem als student een diepe indruk achterliet:
“I felt like he showed me something genuine and important on 3/30/86. And he couldn’t have done it if he hadn’t been thoroughly, nakedly, unpretentiously, unsophisticatedly himself, a self that communicates primarily itself – an Expressionist.”
Eerder in datzelfde stuk beschrijft hij de heroïek op een andere manier:
“However concerned with fluxes in identity his movies are, David Lynch has remained remarkably himself throughout his directing career. You could probably argue it either way – that Lynch hasn’t compromised/sold out, or that he hasn’t grown all that much in twenty years of making movies – but the fact remains that Lynch has held fast to his own intensely personal vision and approach to filmmaking, and that he’s made significant sacrifices in order to do so.”
Ik weet ook nog wanneer ik voor het eerst Twin Peaks zag (zomervakantie 2004, met mijn ouders en zus in een hut in Noorwegen) en toen ik zelf als student Mulholland Drive zag had ik ook het gevoel dat mij iets belangrijks werd getoond. Sindsdien heb ik zijn oeuvre min of meer in omgekeerde volgorde bekeken, en het is inderdaad wonderlijk om te zien: hij was al David Lynch voordat dat iets betekende.
Blue Moon
Als je weleens aan de bar van een bruine kroeg hebt gezeten, dan ben je sowieso ooit verstrikt geraakt in een gesprek met een oudere man die maar niet kan stoppen met over zichzelf te praten, en waarin de verongelijktheid steeds plotseling en hevig aan de oppervlakte kan komen. Over zo’n gesprek gaat Blue Moon.
En net zoals je bij die man aan de bar geen flauw benul hebt of hij daadwerkelijk een roemrucht verleden heeft als dichter of als regisseur of als vrouwenverslinder of Olympisch skiër of wat hij je dan ook vertelt, zo wist ik in de bioscoopzaal niet precies wie Lorenz Hart was. Hij vertelt dat hij een belangrijke Amerikaanse liedjesschrijver is uit de jaren twintig, dertig en veertig, met allerlei musicalklassiekers achter zijn naam. Wat voor deze film van Richard Linklater spreekt is dat het niet enkel ontzag probeert op te wekken voor een miskend genie, maar dat het hem ook durft te tonen als een tragische gênante man, naast wie het op den duur behoorlijk vervelend wordt om aan de bar te zitten.
28 Years Later: The Bone Temple
The Bone Temple gaat over gekte, in de vorm van een virus dat de Britse bevolking heeft veranderd in agressieve psychotische zombies, maar ook in de vorm van vertrouwen. Dr. Kelson gelooft dat de geïnfecteerden gered kunnen worden, dat er ergens in dat rotte lichaam nog steeds een mens verborgen zit. Zo staat hij op een gegeven moment teder te dansen met een grote gespierde zombie, die in staat is op ieder moment zijn hoofd eraf te rukken. Het is een scène waarin het belachelijke verenigd wordt met het ontroerende en het spannende, herkenbaar voor degenen die de vorige film uit de reeks hebben gezien.
The Bone Temple is de opvolger van 28 Years Later van afgelopen zomer, wat weer de opvolger was van 28 Weeks Later, wat weer de opvolger was van 28 Days Later. Hierna komt er zelfs nog een, het slotstuk van deze recente trilogie. In principe sta ik sceptisch tegenover sequels, franchises, termen als ‘IP’ die vooral bestaan om studio-CEO’s de valse zekerheid te bieden dat ze heus wel geld zullen verdienen, maar het blijkt ook dat ik niet heel principieel ben, alles wat ik vraag is een klein beetje creativiteit. Deze film had niet dezelfde plotselinge toonverschuivingen die de vorige zo verrassend maakte, en het is dan ook door iemand anders geregisseerd, niet Danny Boyle maar Nia DaCosta, maar het is dezelfde vreemde mengeling van stijlen en emoties, gemaakt met dezelfde onverschrokkenheid. Creativiteit is ook een vorm van gekte natuurlijk, je moet er risico’s voor nemen, je moet durven dansen met de zombie, ook al kan die jouw hoofd eraf trekken.
Dank voor het lezen van deze editie! Als je tot hier gekomen bent en nog niet geabonneerd, kom op, klik op de knop hieronder. Als je wel geabonneerd bent: vertel eens over deze nieuwsbrief aan vrienden die het eventueel zou kunnen interesseren. Helpt enorm!
PS.
Wat ik net nog bedacht: Bij de ingang van De Filmhallen zag ik geprinte filmrecensies hangen. Over The Bone Temple las ik een groot citaat uit Trouw: ‘Stelt nergens teleur’ (4 sterren). Ik vond dat een grappige aanbeveling, alsof het tegenwoordig toch het hoogst haalbare is om teleurstelling te vermijden, maar er zit ook iets vervelends onder vind ik, alsof de filmmakers toch vooral hun best moeten doen om aan de standaarden van recensenten te voldoen, in plaats van andersom. Aan de andere kant heb ik die recensie net gelezen, en ik zie het nergens staan, behalve in de kop, die de recensent over het algemeen niet eens zelf bedenkt. Dus ja, waar heb ik het dan over? Tot volgende maand!

